Groepen vertonen een bepaald gedrag op basis van de individuen die zich in de groep bevinden. Groepen hebben een eigen dynamiek die zich vormgeeft. De individuen beïnvloeden de groep, maar de groep beïnvloedt ook de individuen. Een hechte groep met positieve normen vormt een ideale groep voor de docent. Elke groep kan zo worden door het sturen van het groepsproces.
Interne groepsnormen zijn de normen waaraan de groepsleden zich moeten houden. Als groepsleden iets fout doen, wordt dit uitgesproken. Externe groepsnormen zijn de verwachtingen die de groep heeft van de buitenwereld. Dit wil zeggen dat er bepaalde normen zijn die de groep heeft over bijvoorbeeld school of de docent. Het kan voorkomen dat groepen positief staan tegenover school, omdat zij hier samen kunnen komen, maar negatief tegenover het leren op school. Deze groepen vinden gezelligheid vaak belangrijk en komen hiervoor dus naar school.
Er zijn drie factoren die van invloed zijn op de groepscohesie. Dit zijn: 1. De omvang van de groep: een kleine groep is vaak hechter dan een grote groep. Met kleine groepen is het vaker mogelijk om contact te houden, waardoor de band versterkt. Met grote groepen is dit simpelweg niet het geval. 2. Druk van buitenaf: De cohesie neemt toe wanneer de groep bedreigd wordt door externen. Incidenten vergroten de cohesie omdat de groepsleden het vaak voor elkaar opnemen. 3. Aantrekkelijkheid van de groep: Groepen die vaak succesvol zijn, zijn vaak groepen waar anderen bij willen horen. Ook speelt populariteit een rol. Als er relatief veel ‘populaire’ adolescenten in een groep zitten, willen anderen daar al gauw bij horen. (Geerts en van Kralingen, 2017)
Het groepsproces bestaat uit vijf fases: forming, storming, norming, performing en adjouring. In deze fases wordt een groep gevormd. Een voorbeeld van storming komt uit een observatie van een stageplek op het Oosterlicht College in Nieuwegein. Drie leerlingen moesten mee gaan met de stagaire om aan het huiswerk te werken. De leerlingen hadden nog nooit met die stagaire gewerkt en kwamen dus in een nieuwe situatie. De drie leerlingen kenden elkaar al wel, maar wisten in deze situatie niet hoe zij gepositioneerd stonden tegenover elkaar en de stagaire. Hierdoor gingen ze uittesten wat ze wel en niet konden maken. Eén van de drie leerlingen stond aan het begin op en ging praten tegen een klasgenoot die op de gang stond, de andere twee leerlingen keken vol verbazing toe. De stagaire was overrompeld en wist niet zo goed wat haar overkwam. Toch besloot ze een sociale norm vast te stellen en zei ze tegen de jonge adolescent dat hij terug moest komen en op zijn plek moest gaan zitten. De jongen luisterde in eerste instantie niet en probeerde irritatie op te wekken bij de stagaire. Zij ging hier niet op in en herhaalde dat de jongen moest gaan zitten. Uiteindelijk luisterde hij.
In deze situatie kan een docent het beste consequent de sociale norm hanteren. In dit geval deed de stagaire dit goed. Een docent moet ingrijpen wanneer het mis gaat. Ook kan een docent opletten op de overige leerlingen. Doordat leerling één opstandig gedrag vertoont kan het voorkomen dat de andere leerlingen zich onderdrukt voelen. Individuele hulp is hier dan handig.
Een voorbeeld van norming is te vinden in het onderstaande filmpje:
In dit filmpje is te zien hoe een klas zich gedraagt na dat de sociale normen zijn vastgesteld. De leraar stelt vragen aan de klas, aan de reactie van de klas te zien is dit iets wat hij vaker doet. Ook is het algemeen bepaald dat elke leerling voor zichzelf kan reageren, er is geen sprake van vingers opsteken of beurten geven. Wel testen de leerlingen de leraar nog een beetje uit, het kan voorkomen dat de storming fase op hetzelfde moment plaatsvindt als de norming fase. In deze video is daar sprake van. De docent kan het best niet direct ingrijpen. De betreffende docent in dit filmpje deed dit ook niet. De groep moet zelf ontdekken wat zij fout doen en hoe dit verbeterd kan worden. Wel kan de docent werken aan de groepsverantwoordelijkheid. Laat de leerlingen samen aan projecten werken zodat ze weten hoe het voelt om beslissingen te maken.
Bij de performingfase gaat het er om dat de leerlingen ook daadwerkelijk doen wat er gedaan moet worden; leren. Als de voorgaande fases positief doorlopen zijn, zou de groep nu een gunstig leerklimaat kunnen bieden. Als leraar is het de taak om de balans tussen onderlinge relaties en schooltaken te houden. Als het niet lukt kan de docent analyseren waar het knelpunt zit, dit probleem kan dan opgelost worden en vervolgens kan de situatie weer terug gebogen worden. (Geerts en Van Kralingen, 2017)
De adjourningfase is de laatste fase in het proces. De groep gaat uit elkaar vallen. Mocht de groep hecht zijn, kan dit lastig zijn voor de adolescent. Als leraar kan er gepraat worden over de gevoelens van de leerlingen, dit versterkt de betekenis van de groep. Ook kan er een markeringspunt in gang worden gezet. Bijvoorbeeld een musical. Dit is een leuke afsluiter die een einde markeert. Als laatst kan de docent samen met de groep naar de toekomst kijken. (Geerts en Van Kralingen, 2017)